Mondkijker

Dag jongen,

We stonden onlangs voor het raam de dag op te wachten. Brussel was uitzonderlijk donker. Het weinige maanlicht dat er was, werd in je ogen van obsidiaan weerkaatst. Ik vond het streepje licht als een mijnwerker die in het schijnsel van zijn lamp steenkool ziet glinsteren. Al de rest vervaagde. Je keek me aan en ik keek terug. Het had iets dierlijks, die blik van jou. In de stilte herkenden we elkaar.

Ik heb je al duizenden keren in de ogen gekeken, maar het voelde die ochtend als de eerste keer. Was het de nabijheid? Jouw hoofd op slechts centimeters van het mijne? Was het de afwezigheid van enige verwachting? Geen gelach, geen geknipper, niets probeerde ik uit te lokken. Waren je ogen anders: vochtig, gespeend van wit, door vermoeidheid omlijnd?

Ik ben een mondkijker. Liever dan oogcontact te maken, volg ik de beweging van de lippen. De mond als grot waarin ik een betekenis zoek. Achter de woorden verschuilt zich altijd wat. Ik geloof niet in zielenspiegels of open ramen die toegang geven tot het karakter van de andere. Ik kruip liever de vochtige donkerte in, dansend op de tong, badend in het speeksel. Ik tik met mijn ogen op de tanden om te horen of de woorden resoneren. Begrijp ik écht wat gezegd wordt?

Men koppelt het vaak aan autisme, dat mondkijken. Liever dan te letten op de emoties, is voor mensen binnen het spectrum datgene wat gezegd wordt het belangrijkst. Emoties overbelasten het werkgeheugen, ze zijn een teveel. Toen je pas geboren was, zorgde ik ervoor dat onze ogen elkaar ontmoetten. Als er al autisme in me schuilde, was het iets dat ik niet wilde doorgeven.

Mijn poging om dat eerste contact te leggen, was ter bescherming, alsof ik zo de vloek van de erfelijkheid ongedaan kon maken. Ik verhief het tot een teken van liefde en affectie. Een vader die de emotie schonk. Ook in de weken en maanden erna trok ik mezelf telkens opnieuw naar je ogen wanneer mijn blik naar je mond afdwaalde. Meer dan eens was ik het die als laatste op zo’n ontmoeting arriveerde. Ik heb het elke keer gevoeld.

Vele jaren geleden liep ik tegen valavond rondjes in het bos. Ik was moe en het schemerde, dus wilde ik mijn weg verkorten. Ik sloeg een onbekend pad in. De nieuwe omgeving en het heroriënteren dwongen me in een verhoogde concentratie. Ik stond op scherp, maar na enkele minuten werd ik uit mijn cadans gehaald door een kort en hevig geritsel.

Voor me stond een vos. Hij keek me strak aan met zijn ros-witte hondenkop. Het was de eerste keer dat ik er een zag in het wild, op slechts tientallen meters afstand. Het beest was groter dan ik me had ingebeeld. In sprookjes leken ze altijd kleiner. Onzeker of hij me ging aanvallen of niet, bleef ik staan. Onze ogen maakten contact.

Hoelang het duurde, kan ik nu niet meer zeggen, maar een eeuwigheid leek gepasseerd te zijn. Daarna knikte hij schichtig door z’n poten en trippelde verder. Hij had besloten dat ik geen gevaar was. Onze wegen scheidden even abrupt als ze waren samengekomen.

Nooit eerder voelde ik me zo gezien. Tot nu, door jou.

Liefs,

Je papa

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s